Lees: Psalm 126
Sleutelvers: “Wie met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien.” (Ps 126:5, HSV)
Het lied begint met een herinnering. Toen de HEERE de gevangenen van Sion terugbracht, was het als een droom. Hun mond zat vol lachen (vers 1-2). Maar de dichter bidt ook nu: breng opnieuw een omkeer (vers 4). Midden in dat wachten staat de zaaier, die huilend zijn zaad uitstrooit en later met gejuich terugkomt, zijn schoven dragend (vers 5-6).
Het gaat om volhouden terwijl het nog niet gelukt is, en om de hoop dat God herstelt wat verloren is. Het is geen regel dat elke inspanning meteen vrucht draagt. Het gaat om Gods trouw: huilen is niet het laatste.
Vraag: Waar zaai je nu zonder dat je al iets ziet groeien?
Gebed: HEERE, ik heb nog niets gezien. Houd mij vast tot de oogst. Amen.
